De ochtend brengt een nieuw geluid
***DISCLAIMER: deze toelichtingen op de hoofdstukken van Buat bevatten spoilers.***

Omdat in Musch ook een paar keer het verhaal wordt ondersteund door poëzie, wilde ik in Buat wat gedichten opnemen. Het was nog een hele zoektocht om tussen al die honderden gedichten (de zeventiende-eeuwse mens was poëzie-verslaafd) een tekst te vinden die goed aansloot bij het verhaal dat ik vertellen wilde. Uiteindelijk vond ik iets in mijn eigen pamfletten-verzameling in de vorm van een lofdicht op Cornelis Tromp. Geschreven in juni 1665 toen Tromp zich zag tegengewerkt door de gedeputeerden (onder wie Johan de Witt).
Dit is mijn vertaling, waarbij ik geprobeerd heb om vooral de cadans en het rijm zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst te houden.
Het is een typische lofzang, zoals er toentertijd heel veel gemaakt werden. Schrijver I.B.V. Lochem ken ik niet. Het lijkt me een pseudoniem. Hij zal actief zijn geweest in de kring van Rotterdamse regenten, onder wie Ewout van der Horst en Johan Kievit (zwager van Cornelis Tromp) zich bevonden.
Lofdicht op de edele heer, admiraal Cornelis Tromp
O, eerzaam jonge held, aan vaders borst ontsproten,
door gans het lieve vaderland in ’t hart gesloten.
De dageraad, gereed om weer omhoog te klimmen,
verschijnt al stralend aan de koperrode kimmen:
de zwarte nacht verdwijnt en glijdt van lieverlede heen.
Het gouden sterrenlicht, dat eerst zo helder scheen,
dooft nu gelijk een kaars, verdampend in de lucht.
Maar dan ontwaar ik plots een luid en groot gerucht.
De vijand kreunt en kermt en zucht: ‘Hij is ter been!
En heeft een menigte van sterke mannen om zich heen.
Een absolute nederlaag op zee is wat ons wacht
geen vloot weerstaat de kracht van deze overmacht.’
Aanschouw de jonge Tromp, zijn daden zijn zo groot,
voor niets of niemand bang, zelfs niet voor de dood.
Hij brult gelijk een leeuw, in het heetst van de strijd.
Aanschouw zijn glorieuze schip, en zie hoezeer de tijd
zijn sporen daarop achterliet na jarenlang gezwerf.
Maar door verraders, die azen op zijn val en zijn verderf,
is Tromp vermoeid en mat, droefgeestig zijn gedachten:
‘Er wordt te veel gemord, het land zal moeten wachten.’
Maar nee, de hemel zij gedankt, hij heeft zich opgericht,
de kloeke held is niet voor het verraad gezwicht.
Reikhalzend kijk ik uit naar alles wat er komen gaat
zoals mijn hart verlangt naar een verloren kameraad.
Bedroefde Nederlanders, bid toch voor die held,
en smeek de Heer dat onze felle vijand hem niet velt.
Neemt toevlucht tot geduld en plooi uw gelaat
bij angst en wankelmoedigheid is geen gebaat.
Dus zucht, o burgers, zucht uw bange asem uit,
en beid uw tijd. De ochtend brengt een nieuw geluid.
I.B.V. Lochem, vertaling Jean-Marc van Tol

Wanneer je het origineel ernaast legt zie je dat ik het paard heb vervangen door een schip. De strekking blijft hetzelfde. Het gedicht gaat over Cornelis Tromp, de jonge zoon van grote zeeheld Maarten Harpertsz. Tromp, die moegestreden lijkt, maar toch weer ten strijde trekt tegen de vijand ondanks alle tegenwerking die hij moet ondergaan.
Hier het origineel:
AEN DE DE EDELE HEER, DE HEER KORNELIS TROMP, LIEUTENANT ADMIRAEL OVER HOLLANDT, Zeelandt, en West-Vrieslandt.
Achtbaer Jonge Heldt, uyt Vaders borst gesprooten,
Ten dienst van ’t Nederlandt, zijt ghy de beste looten
Den dageraet die slaet, om weer in Zee te klimmen,
En schittert albereyt met kooper roode kimmen,
De donckre nacht verdwijnt en glijt alenskens heen
Het gulde sterre licht dat lest soo brandent scheen,
Wert nu gelijck als loof en schuylt sich in den Hemel,
Nochtans verneem ick niet dan machtich groot gewemel,
In ’t Vyantlijcke heyr segt dat hy is terbeen,
En dat hy hier en daer sijn Volck vast haelt by een,
Het sy dan hoe het sy, hy sal sijn krachten spanne,
Om met een stercke Macht ons uyter Zee te banne,
Aenschout dees Jongen Tromp van dade wonder groot,
Hy schroomt oock geen gevaer, voor dat de felle doot,
Hy brult gelijck een Leeu, in ’t selfte van haer worstelen;
Aenschout maer eens sijn Paert, men siet wel aen de borstlee,
Hoe dat het is geplukt, en heen en weer gesworven,
Maer door Verraders, val soo schandelijck bedorven,
Hy is vermoeyt en loom en qualijck van gedachte,
’t Is lang genoeg gemoort, men sal een tijt lang wachte,
Den Hemel sy gedanckt, hy is wêerom gekomen,
En niemant van dat volck had oyt dien Helt
k’ Sal haest den uytslag fien, het schijnt de tijt zich reckt,
Wanneer ons hakent hert na iemant weerkomst treckt,
Bedroefde Nederlanden, bidt vry voor desen Helt,
Dats Vyans sterke macht doch niet ter neder velt,
Neemt toevlucht tot gedult en wilt dees trane stelpen,
Geen knaging van gemoet en kan de doode helpen,
Dus sucht vry Burgers sucht den bangen boesem uyt,
Tot tusschen loop van tijt dees uwe droefheyt sluyt.
I. B. V. LoCHEM.
TOT ROTTERDAM,
By GREGORIUS DE JONCKER,
Boeckverkooper in den Oppert. Anno 1665.